Gelijkwaardige Citizen Science
21-02-2025 Harmen Zijp
Het is een terugkerend ritueel. Een kostbare locatie met voortreffelijk belegde broodjes en een dure dagvoorzitter van een groot adviesbureau. Een zaaltje vol intelligente mensen. De helft is er uit hoofde van een goed betaalde functie, de andere helft heeft er een dag voor moeten vrijnemen. Het is op een doordeweekse dag, want anders doet de eerste helft niet mee. Het gaat over samenwerking tussen instituten en burgers.
Om het vermeende ijs tussen de aanwezigen te breken worden die gedwongen om allemaal kinderachtige spelletjes te doen uit het toverboek van de verandermanager. Een World Café, een Mentimeter, een of ander organisatiecanvas, een Wordle... steevast grijpen de organisatoren van dit soort bijeenkomsten naar debiliserende werkvormen die een belediging zijn voor de intelligentie van de aanwezigen.
En zo zitten allemaal bevlogen slimme mensen in een app te klikken op een reeks plattitudes (ben je een ochtendmens of een avondmens?) om daar nog wat hartjes of duimpjes aan toe te voegen voor een feestelijk begin van de dag. Daarna gaat het naar gesprekstafels met sticky notes.
Deze keer ging het over gelijkwaardige participatie. Dat het papier waarop dit gedrukt was niet tot spontane zelfontbranding overging is een raadsel. Participatie betekent letterlijk deelnemen aan iets. In de regel is dat iets wat door iemand anders is bedacht. Het is per definitie ongelijkwaardig.
En daarmee was het een heel geschikte inleiding voor het onderwerp van de dag: citizen science, of burgerwetenschap.
Over het woord burger wil ik me niet al te negatief uitlaten. In het Nederlands klinkt het nogal raar omdat het directe associaties oproept met het woord burgerlijk. En omdat het steeds nogal bevreemdend wordt wanneer ambtenaren het hebben over burgers, alsof het een stam woeste inlanders betreft die zij vanonder hun tropenhelm veilig kunnen bestuderen en waar nodig bevoogden. Maar dat komt eerder omdat we in het Nederlands geen geschikt woord hebben voor wat in het Engels citizen heet, wat direct verwant is aan civil society. Weg is de spruitjeslucht. Opeens gaat het over de verantwoordelijkheid die ieder mens kan nemen voor een leefbare en beschaafde samenleving.
Nee, het probleem met het woord burgerwetenschap is het kunstmatige onderscheid dat ermee geschapen wordt tussen wetenschap-als-hobby en "echte" wetenschap. Het bevat een kwaliteitsoordeel. Het bevestigt de norm dat alleen academische wetenschappers onderzoek kunnen doen. Het gaat uit van het perspectief van de betaalde professional.
Veel instituten werken met een participatieladder, waarin verschillende treden staan voor de graad van participatie. Onderaan de ladder is sprake van eenrichtingsverkeer. Het zenden van (professionele) informatie aan een (burger)ontvanger. Bovenaan de ladder wordt de burger een volwaardig medespeler. Maar dit gaat allemaal nog steeds uit van een ontwikkeling van de burger binnen een bestaand institutioneel kader. Het is de burger die de ladder beklimt.
En dit werkt allemaal misverstanden in de hand. Eén daarvan is de onuitgesproken aanname dat de burger gedreven wordt door dezelfde motieven als de bedenkers van de participatie. Daarbij spelen status, inkomen en carrière steevast een belangrijke rol. En zo wordt die burger die ook iets onderzoekt meteen een bedreiging. Nòg een concurrent erbij in de ratrace naar funding. Een aantasting van de status door niet gepromoveerden die claimen ook aan wetenschap te doen. En een bedreiging voor de carrière waar opeens moet worden geluisterd naar de laagsten in de pikorde.
Maar wetenschap is geen beschermd beroep. En zijn volop mensen met eigen kennisvragen. En een wens om die te beantwoorden vanuit een intrinsieke motivatie of vanuit een maatschappelijk belang: als vrije citizen of om bij te dragen aan een civil society.
Ik maak graag de vergelijking met andere passies die mensen motiveren om iets te doen waar direct nut geen leidend motief is, zoals de kunsten of de sport. In beiden bestaat voor alle denkbare combinaties van ambitie en talent een manier om je passie vorm te geven. En er is geen professional die zich bedreigd voelt door amateurs die zich in het zelfde domein bewegen. Iedereen snapt dat het primair gaat om de lol ervan, dat straatvoetballers zich aan dezelfde spelregels houden als de erecompetitie, en dat een beginnend blokfluitensemble net zo goed muziek maakt als het concertgebouworkest dat doet.
Dat is de reden dat er niet zoiets bestaat als burgersport of burgermuziek.
In 2015 was ik bij een vergelijkbare bijeenkomst in Europees verband waar iemand een poging had gedaan om de participatietreden voor burgerwetenschap te beschrijven. Burgers die op eigen houtje metingen deden aan luchtkwaliteit in hun straat kregen prompt het etiket "Extreme Citizen Science".
Ik merk dat ik af en toe moedeloos word als ik bedenk dat dezelfde rituele dans van aantrekking en afstoting tussen de wetenschappelijke instituten en de bevlogen inwoners al 10 jaar dezelfde is. En helemaal wanneer ik bedenk dat het professionele dedain voor de burgerwetenschapper het zorgwekkend afbrokkelende vertrouwen in de wetenschap alleen maar verder erodeert.
Maar tegelijk zie ik scherper dan ooit dat oplossing voor het grijpen ligt als we de kunst afkijken van eh, de kunst: Lokale overheden, fondsen, platforms en verenigingen kennen allemaal hun eigen financiering en verantwoordingsstructuur die niet concurreert met die van de eredivisie.
Carrière-onderzoekers en hun instituten moeten gewoon blijven doen waar ze goed in zijn maar moeten worden aangevuld met autonome onderzoekers van divers pluimage, waar iedereen wetenschap herkent aan de spelregels die worden gehanteerd èn aan de intrinsieke motivatie die de ultieme bron is voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek.